Soldaat, grenswachter en slachtoffer van smokkelconflicten rond de Wierickerschans
Het verhaal van Joannes Jacobus Radix — in de familie vaak simpelweg Jan genoemd — was een interessante geschiedenis.
Wat er over een verre voorouder te vinden kan zijn is soms verbazingwekkend. Het leven van deze voorouder kwam tot leven door de archieven.
Jan Radix werd op 15 juli 1717 rooms-katholiek gedoopt in Venlo, samen met zijn tweelingbroer Martinus. Zijn ouders waren Jacobus Radix en Maria Voster.
Van korporaal naar burgerbestaan
Wanneer Jan in 1745 in Woerden trouwt met Maria van Maastrigt (ook geschreven als Maastrigt/Maastricht), is hij al militair: korporaal in het infanterieregiment van luitenant-generaal Crommelin. In het Staatse leger betekende zo’n rang niet alleen gevechtservaring, maar vooral ook discipline en instructie: korporaals stonden dicht op de manschappen en hielden orde in het dagelijks garnizoensleven.
Toch lijkt Jan het rondtrekkende soldatenbestaan uiteindelijk te willen inruilen voor iets dat stabieler oogt. In 1751 beëindigt hij zijn militaire loopbaan en wordt hij cherger: douane-ambtenaar/grenswachter, geplaatst bij de Wierickerschans. Zijn nieuwe werkterrein ligt niet in verre veldtochten, maar in het stille, natte grensgebied waar waterwegen, dijken en sluiproutes het toneel vormen van een voortdurend kat-en-muisspel tussen overheid en smokkelaars.
De Wierickerschans: fort, grens en smokkel
De Wierickerschans (Fort Wierickerschans) was strategisch gelegen bij de splitsing van de Oude Rijn en de Enkele Wiericke. In de achttiende eeuw was het fort niet alleen een militaire post, maar ook een plek waar het toezicht op goederenstromen belangrijk was. Sinds nieuwe accijnsregels (rond 1750) werd smokkelen een direct financieel probleem voor de overheid — en dus een taak voor mensen als Jan Radix.
Vlakbij lagen twee beruchte plekken: de Kleine en de Grote Kievitsheuvel, afgelegen huisjes met een reputatie als ‘sluykhuizen’. Goederen konden daar relatief makkelijk van de ene oever naar de andere worden gebracht. Het toezicht was ingewikkeld: het gebied bestond uit water, riet, dijken en donkere paden. Bovendien stond Jan er lange tijd vrijwel alleen voor.
Aanvankelijk functioneert Jan goed. Hij doet meerdere aanhoudingen en ontvangt daarvoor premies. De smokkelwaar bestaat vaak uit meel en brood — alledaagse producten, maar lucratief wanneer accijnzen ontweken worden. Smokkelaars konden burgers zijn, maar al snel blijkt de grootste frustratie: soldaten van de Wierickerschans zelf smokkelen ook.
Conflict met het fort: “twee kampen”
Het verhaal kantelt wanneer Jan probeert militairen aan te houden die met gesmokkelde goederen terugkeren richting de schans. In 1754 loopt een incident uit op geweld: Jan wordt met een blote sabel aangevallen en de smokkelaars verdwijnen het fort weer in. In plaats van steun ervaart hij tegenwerking.
Dat is het begin van een langdurige, giftige spanning tussen Jan Radix en de commandant van de schans, Johan Caspar Regis. Regis verdedigt zijn mannen en probeert de beschuldigingen te pareren door Jan neer te zetten als ongeschikt: drankmisbruik, ruziezoeker, gevaarlijk gedrag bij het kruitmagazijn — het soort aantijgingen dat in die tijd iemands reputatie volledig kon breken. Er volgt onderzoek, verklaringen worden later weer afgezwakt, en de conclusie wordt dat er sprake is van “groote verbitteringe” tussen beiden.
Maar los van wie in dit conflict gelijk had: voor Jan Radix betekent het dat hij in een onmogelijk spanningsveld terechtkomt. Hij is een voormalige militair die nu militairen moet controleren. In een kleine gemeenschap rond een fort kan dat dodelijk eenzaam zijn.
Weggepromoveerd, maar niet veilig
In 1758 grijpt de overheid in met een opvallende oplossing: Jan wordt weggepromoveerd. Hij wordt opzichter over de chergers van Woerden, Oudewater en Woerdense Verlaat. Daarmee hoeft hij niet meer permanent bij de schans te wonen en kan hij zich met zijn grote gezin in Woerden vestigen.
Op papier lijkt dit een redding: meer status, minder directe confrontatie. Maar Jan blijft — waarschijnlijk om de premies en uit plichtsgevoel — zelf patrouilleren. En juist dat wordt hem fataal.
De nachtelijke patrouille die hem het leven kost
In de nacht van 5 op 6 februari 1761 gaat het mis. Wat er precies is gebeurd, blijft onbekend. Het beeld dat in de bronnen en het latere verhaal blijft hangen is ijzingwekkend concreet:
-
Jan Radix wordt in de vroege ochtend bij Bodegraven aangetroffen, “meer dood dan levend”.
-
Zijn hoed drijft op de Rijn.
-
Zijn geweer ligt aan de overzijde van de rivier.
Het zijn details die een incident veranderen in een scène. Het suggereert een worsteling, een achtervolging, of een val in het water — en vooral: chaos. Of hij door smokkelaars is aangevallen, door iemand in het grensgebied is overvallen, of in een confrontatie terechtkwam die uit de hand liep, is niet bewezen. Wat wél vaststaat in het familieverhaal en de context: Jan werkte in een gebied waar geweld rond smokkel voorkwam, waar vijanden dichtbij konden zijn, en waar hij al eerder in conflict was geraakt met militairen en smuggelnetwerken.
Diezelfde ochtend overlijdt hij aan zijn verwondingen. In de registers staat hij als overledene genoteerd; in de familiegeschiedenis wordt zijn dood expliciet verbonden aan het uitoefenen van zijn functie.
De nasleep: angst, leegroof en armoede
Na Jans dood ontstaat er paniek bij zijn opvolgers. Zijn assistent op de schans is bang geworden en vraagt dringend om versterking. Er komt tijdelijk militaire hulp, maar zelfs dat laat zien hoe grimmig de situatie was: wanneer soldaten bij het wachthuis arriveren, blijkt het volledig leeggehaald. Later duikt de inventaris op… op de Wierickerschans zelf. Het is een detail dat boekdelen spreekt: zelfs na zijn dood bleef Jan Radix onderdeel van een strijd waar regels dun en loyaliteiten troebel waren.
Voor zijn gezin is de klap enorm. Drie maanden later meldt Maria van Maastrigt zich bij de weeskamer van Bodegraven en vraagt om mededogen “als van haare armoede bewust sijnde”. Er wordt een minimale regeling getroffen: zij voedt de kinderen op, laat ze leren en naar school gaan, en ieder kind krijgt later een klein erfdeel. Niet alleen de dood is hard — ook de bureaucratische afwikkeling is sober, bijna kaal.
Een leven tussen orde en grensgebied
Jan Radix’ verhaal is het verhaal van iemand die zijn leven lang verbonden was aan ordehandhaving: eerst in uniform als korporaal, daarna als grenswachter in een economisch strijdgebied. Maar in de moerassige werkelijkheid rond de Wierickerschans was “orde” nooit vanzelfsprekend. De grens was niet alleen een lijn op papier: het was een dagelijkse praktijk, waar smokkel, belangen en macht elkaar raakten.
Zijn dood in 1761 — met die ene hoed op de Rijn en een geweer aan de overkant — vat dat samen. Het is het einde van een man die probeerde regels te handhaven in een omgeving waar regels voor velen vooral hinderlijk waren.